Interview

Public Space & Urban Ecology








Home

Contact
Bureau Visie
CV




Informatie

Op stadssafari met Johan van Zoest, stadsecoloog

Mensen worden gelukkiger, gezonder en socialer van groene ruimte en natuur, maar inmiddels leeft meer dan de helft van de wereldbevolking in stenige urbane gebieden en dat percentage zal alleen maar toenemen. Hoe komen mensen dan nog in aanraking met genoeg natuur? Traditionele ecologen zien de stad als een vijandige omgeving waar geen plek is voor groene ruimte van betekenis. Rijke natuur en biodiverse ecosystemen vind je ver buiten de stad. Dat van dit beeld weinig klopt bewijst Johan van Zoest, stadsecoloog van de gemeente Amsterdam en onderzoeker/docent stadsecologie aan de TU Eindhoven. Hij beschrijft in het boek ‘Leven in de Stad, betekenis en toepassing van natuur in de stedelijke omgeving’ de verassend rijke natuur die in de stad verborgen is en geeft adviezen hoe steden groener, biodiverser en aangenamer kunnen worden ingericht. Teake de Jong (hoogleraar stedelijke ecologie aan de TU Delft) noemde het ‘Het meest complete boek over stadsecologie ooit geschreven’. Ik ging op stadssafari door Amsterdam met de schrijver en sprak over zijn visie op stadsnatuur, de evolutie van groene stedenbouw en de vraag: is de mens, evolutionair gezien, wel aangepast aan het stadsleven?
 
We beginnen ons gesprek op het terras van het filmmuseum in het Vondelpark. Ik vraag hoe iemand stadsecoloog wordt.
 
Huismussen inventariseren
Johan vestigt zich na een studie biologie begin jaren tachtig als zelfstandig adviseur. Stedenbouwkundigen en architecten vragen zijn ecologisch advies bij ontwikkeling van plangebieden. In die periode slaat een Tilburgse ecoloog alarm over de dramatisch teruglopende aantallen huismussen in de steden. Johan helpt hem bij zijn onderzoek. Enige tijd later komt Johan terecht bij het Amsterdamse Platform Stedelijke Ecologie.

‘In die tijd kreeg stedelijke natuur kreeg nauwelijks aandacht. Amsterdam was daarop een uitzondering en liep echt voorop. Dat was vooral te danken aan Martin Melchers, fysiotherapeut en co-auteur van het boek, die ervoor zorgde dat Amsterdam volgens Johan ‘De best geïnventariseerde stad ter wereld was’ en is’. Later nuanceert hij deze uitspraak; ‘Best geïnventariseerde stad, dat durf ik eigenlijk niet te beweren’.

Evolutie en criminaliteit
In je boek zeg je dat voor jou het psychosociale belang van groen in steden opweegt tegen het ecologische belang. Ben je het eens met Frances Kuo, die stelt dat mensen net als dieren, onaangepast gedrag gaan vertonen als ze in een onnatuurlijke omgeving opgroeien en dat een stenige stedelijke leefomgeving crimineel gedrag bevordert?
Er zijn heel veel aanwijzingen dat die stelling juist is. Het is alleen lastig te bewijzen en deze kennis toe te passen. Uit evolutionair oogpunt is er ook geen enkel bewijs dat mensen en hun mechanismen zich hebben aangepast aan een stedelijk leven. Mensen zijn niet bang voor auto’s maar hebben wèl heel primitieve angsten voor afgronden en spinnen.
Groene Modernistische Tuinsteden zijn bedacht als vervanging van de stenige stad, maar toch komt in veel naoorlogse tuinsteden ook veel sociale problematiek voor.
Niet alle groen is leuk. Het modernistische idee van de groene zee werkt niet; het is niet afgebakend, er zijn geen plekken. Mensen kunnen hierdoor geen ruimte definiëren. Verder is het slecht onderhouden. Het Vondelpark is wel heel duidelijk gedefinieerd: het is een duidelijke plek met duidelijke grenzen. Hierdoor krijgt het identiteit en voelen mensen zich er prettig.

JZ over Het Vondelpark:
‘Het Vondelpark heeft een heel belangrijke functie in het stedelijk weefsel van Amsterdam. Amsterdam is een lobbenstad (groene vingers die vanuit het buitengebeid de stad binnendringen) en het Vondelpark is onderdeel van zo’n lob. Via het Vondelpark fiets je zo naar het buitengebied. Een een geslaagd park sluit aan op routes in de stad. De monumentale ingangen geven duidelijk aan waar het park begint en eindigt. Bij entrees van parken vooral het drama niet schuwen.’
 
‘Mooie groene ruimte in de stad heeft voor Amsterdam hele belangrijke economische waarde. Amsterdam heeft nl. de creatieve industrie omarmd als belangrijkste economische motor. En het blijkt dat mensen die werken in de creatieve industrie veel waarde hechten aan mooie openbare ruimte en parken. Daarom staat het nut van parken in Amsterdam niet ter discussie.’

 
Sla
Dat gevoel van binding met groene ruimte zie je terug in de trend van Stadslandbouw of Urban Agriculture. Met bijvoorbeeld groene ruimte die eetbaar is en die mensen zelf kunnen bewerken.
Ja, dit is een heel belangrijke beweging. Door inzet van Wethouder Marijke Vos is Amsterdam nu Proeftuin. Amsterdam wil de relatie tussen stad en land leggen met zorgboerderijen, schoon voedsel en boerenmarkten. In de winkels liggen gemiddeld 20 eetbare gewassen terwijl er duizenden eetbare gewassen zijn. Ik denk dat, als mensen door stadslandbouw kennis maken met gewassen die ze kunnen eten dat ze dan inzien dat er meerdere soorten sla bestaan. Dan krijg je bewustwording. De stadslandbouw maakt gebruik van minder harde en intensieve productiemethoden en bijzondere gewassen. Via deze weg help je biodiversiteit ook een handje.
 
Cruise Natuur
Zou de ‘Stadswildernis’ (de visie van de landschapsarchitect Gilles Clement) werken in Amsterdam? In de stad onstaat dan een contrast tussen de door mensen gebouwde stad en de verwilderde natuur die naar binnen dringt.
Wij hebben zelfs in het Vondelpark en Sarphatipark bewust ‘verwilderde’ stukken. ‘Natuurlijk beheerd’ noemen we dat. In het Sarphatipark is een natuurlijk beheerd terrein dat ’s avonds een geliefd stukje cruise-natuur is.
Zijn daar ook unieke dier- en of plantensoorten te vinden?
Geen soorten die per sé verband houden met het gebruik van die natuur. Op de oeverlanden aan de stadsrand komen wel bijzondere orchideeën voor, maar in de stadparken duurt het langer voordat op natuurlijk beheerde plekken bijzondere dieren of planten voorkomen. In de stad komen wel de bosuil en de bonte specht voor. Een soort die het in de stad en de stadsranden heel goed doet is de egel. Door de schaalvergroting van de landbouwgebieden, die leidt tot weinig beschutte plekken, wijkt de egel uit naar de stad.
 
Darwinisme
In je boek zeg je dat vooral slimme dieren in de stad weten te overleven. Is de egel slim?
Nee, maar hij weet zich wel goed aan te passen. De meest succesvolle diersoort in de stad is de kraai. Kraaien zijn generalisten en ze hebben een enorm leervermogen.
Zou je dan ook kunnen zeggen dat mensen die in de stad wonen slimmer zijn?
Ik laat me liever niet tot dit soort darwinistische uitspraken verleiden. We weten dat de toekomst stedelijk is. Bijna 50 procent van de bewoners van deze planeet woont in steden. Wanneer dat in onze genen tot aanpassingen zal leiden is giswerk. We passen ons wél aan op sociaal-cultureel vlak. Zo blijkt uit onderzoek dat de gemiddelde loopsnelheid in de stad hoger is dan buiten de stad. Veel mensen vinden de stad een slechte plek om te leven, maar onze culturen zijn tot bloei gekomen in steden, en nog steeds komen mensen creatief tot bloei in de stad.

 JZ over het Rembrandtpark:
‘Het Rembrandtpark ligt op de grens van Slotervaart en de Baarsjes. Vooral bewoners uit de Baarsjes maken gebruik van het park. Het park is flink aangepakt, met nieuwe futuristische bruggen. Her en der zitten er al kogelgaten in. Dat zegt wel wat over de wijken rondom het park.’
 
‘De onderbegroeiing (struikgewas onder bomen) staat vaak ter discussie, het geeft mensen een gevoel van onveiligheid omdat je minder overzicht hebt. Maar telkens weer wijst onderzoek uit dat onderbegroeiing essentieel is voor het in stand houden van kleine diersoorten.’ 
‘Het gemaal, met de modieuze steenkorven, wordt natuurlijk beheerd. Het is ingezaaid met een kruidenmengsel. Op het gemaal groeien daardoor allerlei planten. Maar zoiets moet je heel goed onderhouden, anders zijn na 3 jaar al je bijzondere kruiden verdwenen. Helaas is heel veel van dit soort kennis verdwenen door bezuinigingen bij groenbeheer.’

‘Hoopvolle monsters’
Architecten, maar ook burgers voelen zich niet thuis in het beeld dat ‘groene’ wetenschappers schetsen voor de stad. Van die cradle to cradle eco-cities, waarin mensen in groene holen wonen met overal windmolens en zonnepanelen. Het lijkt heel technocratisch en totalitair. In die beelden herken ik niet de sociale, culturele en historische dimensie van de stad. Staan de wetenschap en ontwerpers tegenover elkaar?
Ik zie dit als een noodzakelijke fase. Extreme technische oplossingen komen van wetenschappers met een extreme bevlogenheid. Dit soort techniek moet wel uiteindelijk landen in de werkelijkheid, in de stad. En veel mensen zijn juist gehecht aan het Sinterklaasachtige beeld van de stad, dat botst met veel technische voorstellen.
Je ziet het nu ook in de discussies over Fossiele Brandstof. Men wil overal windmolens plaatsen, terwijl nog niet eens duidelijk is wat de theoretische capaciteit van een regio is en wat we nodig hebben. We moeten eerst duidelijk stellen wat een redelijke ambitie is en onderzoeken waar het acceptabel is windmolens te plaatsen.
We zitten nu echt in een Sturm-und-Drang-fase. Er worden heel veel technische oplossingen bedacht, maar esthetische en architectonische verbeelding zijn keihard nodig. De jonge generatie moet haar eigen invulling geven aan de visie van Braungart. Het enorme aantal extreem technische oplossingen dat nu voor allerlei problemen wordt bedacht noem je in de Evolutionaire Biologie trouwens ‘hoopvolle monsters’.  Na geologische rampen ontstaan in korte tijd heel veel nieuwe soorten, bijvoorbeeld enorm veel soorten vleermuizen. Niet alle soorten zijn even slim.
De eerste auto was niet meer dan een kar met een motor erop. Gebouwen met windmolens en zonnepanelen erop betekent nog niet dat je een slimme, duurzame stad hebt.

 JZ over het Rembrandtpark:
‘Het Rembrandtpark ligt op de grens van Slotervaart en de Baarsjes. Vooral bewoners uit de Baarsjes maken gebruik van het park. Het park is flink aangepakt, met nieuwe futuristische bruggen. Her en der zitten er al kogelgaten in. Dat zegt wel wat over de wijken rondom het park.’
 
‘De onderbegroeiing (struikgewas onder bomen) staat vaak ter discussie, het geeft mensen een gevoel van onveiligheid omdat je minder overzicht hebt. Maar telkens weer wijst onderzoek uit dat onderbegroeiing essentieel is voor het in stand houden van kleine diersoorten.’ 

 
Le Corbusier
Johan vindt het Mercator Plaza, het met planten begroeide sport- en zwembadgebouw van buro Venhoeven CS aan de kop van het Rembrandtpark prachtig als incident, maar niet de hele stad hoeft vol te staan met gebouwen met levende vegetatiewanden.
Zijn dit soort gebouwen voor jou de toekomst van de duurzame stad?
Architecten moeten zich bezig houden met een gebouw, zoals Rietveld. Die bouwt een mooi huis binnen een bestaande stad. Ik wou dat ook de modernisten zich gewoon hadden beperkt tot het nivo van het gebouw, dan hadden we nu niet al die ellende gehad met die na-oorlogse tuinsteden.’
 
Johan vraagt voorzichtig wat ik vind van Le Corbusier (modernistische architect, stedenbouwer en visionair, 1887 – 1965). Ik zeg dat ik vind dat hij goede ideeën had maar naar mijn mening is doorgeschoten in megalomanie en zelfs zijn diensten heeft aangeboden aan Hitler. Johan: ‘Zie je wel! Die hadden ze op moeten sluiten!’
 

Johan van Zoest 
Johan van Zoest is stadsecoloog en werkt als Senior Planoloog bij de DRO (dienst ruimtelijke ontwikkeling) van de gemeente Amsterdam, hij is als onderzoeker en docent stedelijke ecologie verbonden aan de Technische Universiteit Eindhoven.

Samen met Martin Melchers schreef Johan van Zoest: Leven in de Stad, betekenis en toepassing van natuur in de stedelijke omgeving. Utrecht, 2006
ISBN-10: 90-5011-177-7
ISBN-13: 978-90-5011-177-5